Naar gelang van wat men wil gebruiken worden verschillende profielen gebruikt, b.v. een snel profiel voor een hotliner.
De hoeveelheid lift is afhankelijk van de ruwheid van boven- en onderkant van het draagvlak, van de plaatsing van de grootste dikte in de vleugeldoorsnede, van de grootte van de bovenste welving en van de verhouding tussen vleugelbreedte en spanwijdte.
Zo zal de meer geoefende beginner voor zijn volgend model (als hij blijft motorvliegen) eentje met halfsymmetrisch of zelfs symmetrisch profiel uitzoeken, eentje met toch voldoende vleugeldikte vanwege de betere landingseigenschappen.
Het frustrerende van beginnersmodellen, dat men niet eens goed van jetje kan geven, valt weg. Vat start tot landing moet er gestuurd worden. Het vliegtuig zal niet van de grond komen zonder lichtjes aan de knuppel te trekken. In de lucht blijft het toestel elke beweging voortzetten tot het te laat is, als je niet stuurt. En bij het landen moet je ook alles in de gaten houden.
Wees echter niet ongerust! Ten slotte heb je toch ogen, je kent de juiste stuurbewegingen en je hebt rijkelijk ervaring opgedaan met de trainer. In luttele minute zal je het nieuwe model al gewend zijn.
Ik heb goede ervaringen met kunstvluchtmodellen. Zulke vliegtuigen zijn sterk in het maken van figuren. Als ze goed gebouwd zijn, zijn ze helemaal niet kritisch en hebben neutrale richting. Voor iedereen leuk! Dikke draagvlakken met bijna symmetrisch profiel zorgen ervoor dat crashes zeldzaam zijn. Ze vliegen niet zo snel en kunnen goed zweven.
Als model na de bovendekker zou ik WO II-bouwdozen afraden. Deze modellen zoijn op snelheid ontworpen, matig in kunstvlucht en hebben dikwijls kritische vliegeigenschappen die voor een beginner niet te doen zijn.
Heb je gekozenj voor een model met staartwiel omdat het er toch zo elegant uitziet, dan zul je eerst moeten leren starten vanop de harde piste. Bij het versnellen wil zo’n model naar links draaien door de propellerdruk. Je moet daar rekening mee houden en gevoelsmatig tegensturen. Tegelijk moet je de staart trachten op de grond te houden om te kunnen sturen. Als er nog geen voldoende snelheid is, kan je het richtingsroer nog niet gebruiken en moet je het staartwiel gebruiken. Als je vergeet het hoogteroer te gebruiken, zal de staart direkt omhoog gaan, het staartwiel doet zijn werk niet meer en om met het richtingsroer te werken is er onvoldoende snelheid.
Als alles wel goed gaat en de staart blijft ongeveer 3-5 meter ver op de grond, dan kan je het hoogteroer op neutraal zetten. De staart gaat omhoog en hetvliegtuig rolt sneller en sneller op zijn wiele. Het richtingsroer kan nu gebruikt worden. Klein beetje trekken en het vliegtuig stijgt op.
Na de landing van zulke vliegtuigen mag je niet vergeten voldoende druk op het staartwiel te zetten om te kunnen sturen. Misschien val ik in herhaling, maar een beginner koopt best geen staartwielmodel. Te moeilijk hanteerbaar!
|