Bereik v/d ontvanger testen

Discussie in '[FAQ] RC Techniek en elektronica' gestart door Corrien, 11 dec 2005.

  1. Corrien

    Corrien Vriend van modelbouwforum.nl Forum veteraan

    Lid geworden:
    28 okt 2003
    Berichten:
    11.176
    Locatie:
    Maasland
    De volgende test is bij veel modelbouwers bekend en vooral voor de modelvliegers van belang. De test wordt dan ook eerst voor deze groep beschreven, voor de andere modelbouwers worden aanvullende gegevens verstrekt.

    Het testen van het bereik van de ontvanger
    De test wordt uitgevoerd in het open veld, bij voorkeur zonder dat er andere zenders aan staan.
    De zender wordt met ingeschoven antenne ingeschakeld en door een persoon vastgehouden. Bij zenders, waarin de antenne volledig in de behuizing verdwijnt wordt één segment uitgeschoven. Er wordt een functie bediend, bijvoorbeeld het richtingroer. Het model wordt door een tweede persoon op 1 meter hoogte naast zich gedragen, waarna hij/zij zich zo ver mogelijk van de zender verwijdert. Zodra het richtingroer niet meer reageert of zodra er storing optreedt wordt er gestopt.
    Bij elektrovliegen laat men ook nog even de motor halfgas draaien, het bereik mag dan weinig of niets afnemen.
    Als men het helemaal perfect wil doen voert men zowel met brandstof- als electromotoren de gehele test met draaiende motor uit.

    Hoe veel meter moet het bereik nu zijn?
    Voor modelvliegen is een goede vuistregel: er kan gevlogen worden als de tweede persoon 40 meter (60 passen) of meer kan wandelen met het model.
    Meestal is het bereik veel meer, met veel typen ontvangers kan men 80 meter of meer behalen. Niet elke zender geeft met ingeschoven antenne de zelfde hoeveelheid signaal en niet elke ontvanger heeft de zelfde ingangsgevoeligheid. Een exact aantal meters kan daarom niet worden opgegeven en er moeten ook geen conclusies worden getrokken als de ene ontvanger iets verder komt dan de andere.

    Moet de test vlekkeloos verlopen?
    Met een ppm-ontvanger mag er best een hikje, tikje of bibbertje in een of meer servo's optreden. Belangrijk is, dat het richtingroer blijft luisteren naar de zender en dat de overige servo's redelijk rustig blijven. Pas als er duidelijke onrust optreedt of als het richtingroer niet meer naar de zender luistert is er geen bereik meer. Bij een ipd- of pcm-ontvanger mag de servo van het richtingroer iets vertraagd gaan werken. Zodra deze duidelijk haperend of helemaal niet meer reageert is er geen bereik meer.

    Wanneer voert men de test uit?
    Doe de test eerst eens als alles gewoon werkt. Je weet dan hoeveel meters er normaal behaald worden. Vervolgens is het verstandig elke vliegdag voor de eerste vlucht de test te herhalen. Men moet dan elke keer ongeveer hetzelfde resultaat krijgen, waarbij enkele meters meer of minder normaal zijn. Bij een ontvanger, die normaal 80 meter haalt, is een keer 70 meter niet verontrustend. Als er echter maar 50 meter wordt behaald is er iets vreemds aan de hand, ook al zou dit voldoende zijn om te kunnen vliegen.
    Uiteraard doet men de test ook als er storingen of anderssoortige problemen zijn. Ook na een crash, waarvan men niet zeker weet of de oorzaak in de duimen van de piloot gezocht moet worden, is het zinvol de test te herhalen (als de ontvanger tenminste nog werkt).

    Als er te weinig bereik is, wat dan?
    Een gebrek aan reikwijdte kan vele oorzaken hebben. Het probleem kan aan de zender liggen, de ontvanger kan stuk zijn, er kunnen stoorbronnen in het model aanwezig zijn en er kunnen externe oorzaken zijn. Door een aantal zaken te controleren kan men vaak vaststellen waar het probleem zit. Enkele vervolgtestjes kunnen daarbij helpen:
    - doe de test op een andere dag over, als er externe oorzaken meespelen krijg je gegarandeerd een ander beeld.
    - haal de ontvanger, ontvangeraccu en een servo uit het model en doe de test nog een keer. Als er nog steeds te weinig bereik is, zal er iets mis zijn met de zender of de ontvanger. Als er nu wel bereik is, wordt er voorzichtig met een vinger tegen de ontvanger getikt om te zien of deze trillinggevoelig is. Is dit niet zo, dan als volgende stap de ontvangeraccu vervangen!
    Als alles nu weer in het model wordt ingebouwd en er opnieuw onvoldoende bereik is, dan wordt het vervelend. Er zal dan namelijk een stoorbron in het model gezocht moeten worden. Het gaat voor deze faq te ver om dit soort stoorbronnen te bespreken, er wordt volstaan met een opsomming: ongunstig gekozen plaats van de ontvanger en/of ontvangerantenne, slechte stekkers of beschadigingen aan snoeren, elektromotor stoort, metaal-op-metaal kontakten, geleidende materialen zoals koolstof.

    Varen en rijden
    Voor varen en rijden wordt de test op de zelfde manier uitgevoerd, waarbij het bij de grotere schepen waarschijnlijk verstandiger is om niet met het model, maar met de zender te gaan wandelen. Men moet er echter rekening mee houden, dat afstanden van meer dan 40 meter met ingeschoven zenderantenne meestal niet behaald worden. Houd hierbij een 20 meter als minimaal vereist aan.
    Aangezien er bij schepen en auto's vaak stoorbronnen in het model aanwezig zijn, is hier de test met de ontvanger-uit-het-model-en-dan-opnieuw-kijken vaak veelzeggend.

    Aanvullingen/wijzigingen
    Door reakties op deze faq is de tekst enige keren gewijzigd. Reakties, die verbeteringen in de tekst hebben opgeleverd werden ontvangen van:
    Han Veldhuis, Mijnheer Rob.
     
    Laatst bewerkt: 26 mei 2011
  2. Corrien

    Corrien Vriend van modelbouwforum.nl Forum veteraan

    Lid geworden:
    28 okt 2003
    Berichten:
    11.176
    Locatie:
    Maasland
    Een zeer lezenswaardig stuk over het inbouwen van de ontvanger in het model en de diverse aspecten, waarmee rekening gehouden moet worden bij verschillende modeltypen werd door de fa. Robbe op hun site gezet. Uiteraard geldt e.e.a. onverkort voor ontvangers van andere merken.

    Aanwijzingen voor de inbouw en het gebruik van radiobesturings-ontvangers.

    De technische uitrusting van modellen is de laatste jaren drastisch veranderd.
    Aandrijving met borstelloze motoren, bijbehorende regelaars, lithium aandrijfaccu`s, telemetriesystemen, gps systemen, enz. om maar enkele dingen te noemen.
    Ook de gebruikte materialen bij de modellen zijn met de entree van carbon veranderd. Om lichte, stabiele en tot hoge prestaties in staat zijnde modellen te verkrijgen worden meer en meer carbon delen, evenals lithiumaccu`s en borstelloze aandrijvingen gebruikt. Bij helicoptermodellen is de aandrijving van de hekrotor met een tandriem bijna standaard geworden.

    Bij de constructie wordt op z`n hoogst rekening gehouden met de inbouw van de servo`s, motor en aandrijfaccu. De ontvanger vindt wel ergens een plekje. Er wordt bijna als vanzelfsprekend vanuitgegaan dat de rc-componenten de uiteindelijke aandrijf-configuratie ook bestuurbaar maken.

    Daar kan echter niet als vanzelfsprekend vanuit gegaan worden omdat de combinatie van metaal-, kunststof- en carbondelen, speciaal in verbinding met tandriemaandrijving, in al hun veelvoud tot meer of minder sterke beinvloeding van de ontvanger kunnen leiden. Afhankelijk van de combinatie van verschillend elektrisch geleidend resp. niet geleidend materiaal kunnen door statische lading bij de materiaalovergangen vonkbaantjes ontstaan, die de ontvanger ernstig kunnen beinvloeden.

    Niet alleen de plaats van de ontvanger is beslissend voor de ontvangstkwaliteit, ook hoe de antenne aangebracht is . Bovendien zijn niet alle ontvangers gelijk, afhankelijk van gebruik zijn kleine, lichte of slanke ontvangers gevraagd. Bij andere toepassingen is een veelvoud van kanalen nodig, waardoor het aanbod van ontvangers ook heel gevarieerd is. Ieder ontvangertype heeft z`n eigen eigenschappen met betrekking tot gevoeligheid voor het zendersignaal en tegenover invloed van storingen (elektrosmog).

    Ook het aantal servo`s , de lengte van de kabels en hoe deze zijn aangelegd is van invloed op de ontvangstkwaliteit. Zijn grote delen van de romp of rompversterking van geleidend materiaal gemaakt, zoals carbon,metaal of aluminiumfolie , dan schermen deze het zendersignaal af, waardoor eveneens de ontvangstkwaliteit duidelijk minder wordt. Dit geldt ook voor sterk gepigmenteerde of metaalhoudende lakken voor de romp.

    Stuurstangen, carbon vleugelversterkingen en servokabels die parallel aan de antenne lopen verschuiven het elektrisch veld om de antenne en zuigen als het ware de zenderenergie naar zich toe. Hierdoor wordt de energie van het zendersignaal die in de antenne aankomt , duidelijk verminderd.

    Ook het weer is van invloed, bij droog mooi weer vermindert de luchtvochtigheid, waardoor er eerder elektrostatische ladingen bij het model voorkomen dan bij vochtig weer. Bij vochige dagen neemt de reflectie van de zenderuitstraling op de bodem toe. Afhankelijk van de antennehoek en de afstand t.o.v. het model kunnen er veldsterktegaten ontstaan, omdat de via de lucht uitgestraalde en via de bodem gereflecteerde zenderinformatie zich tegengesteld kunnen opheffen of versterken (looptijdverschil van beide golven).Bij indoorgebruik in hallen die vaak uit een staalconstructie of staalbeton gemaakt zijn, kunnen door meervoudige reflectie (dak-bodem-wand) veelvuldig veldsterktegaten ontstaan.
    Het is voor de fabrikant onmogelijk, al deze combinaties van model, materiaal, antennehoek en antennepositie uit te testen, omdat ook kleinere „zonden” zich tot een „storing“ kunnen vormen. Dit kan alleen door de betreffende modelbouwer,resp. gebruiker uitgeprobeerd worden.

    Hierna volgen enkele elementaire aanwijzingen om de beste ontvangstresultaten te verkrijgen.

    De ontvangerantenne:

    Indien mogelijk in een l-vorm aanleggen om de de afhankelijkheid van de opstelling zo klein mogelijk te maken.
    Niet parallel laten lopen aan electrisch geleidende materialen, zoals kabels, bowdenkabels, carbonstuurstangen,enz. Of binnen resp. buiten langs elektrisch geleidende rompen te leggen.
    De aan de ontvanger aangesloten kabels (servo, stroomverzorging, enz.)mogen niet dezelfde lengte hebben als de antenne. Ook niet de helft ervan of een veelvoud.(b.v. ontvangerantenne 1m, te vermijden zijn dan de volgende lengtes: 0,5 m, 1m, 2m,3m, enz.)
    Zover mogelijk weghouden van: stroomvoerende regelaars en motorkabels,
    gloeipluggen en voorgloei-installaties,
    plaatsen met statische oplading, zoals tandriemen,
    turbinemotoren, enz.
    Bij rompen met afschermende materialen (carbon, metaal,enz.) de antenne op de kortst mogelijke manier buiten de romp brengen.
    Het eind van de antenne niet aan elektrisch geleidend materiaal bevestigen.
    Staafantennes mogen in geen geval aan elektrisch geleidend materiaal (carbon, metaal) bevestigd worden.Bij snelle modellen komt het op grond van de hoge snelheid vaak tot statische ladingen. Bij deze modellen mag de antenne niet op het rompoppervlak bevestigd worden. Hier volgt een in de praktijk geteste oplossing: De antenne aan de binnenkant van de romp aan een houten spant bevestigen en door een 10 mm groot gat naar buiten uitsteken. Waar de antenne de romp verlaat , de antenne met een stuk krimpkous isoleren.

    De ontvanger

    Voor de plaatsing van de ontvanger geldt in principe hetzelfde als het in het voorgaande.
    Zo mogelijk geen andere elektonische componenten in de onmiddelijke omgeving plaatsen.
    Het gebruikelijke op elkaar pakken van electronische componenten moet vermeden worden.
    De stroomverzorging door middel van een laagohmige NC- of NiMH accu.
    Schakelende BEC-systemen voor de stroomverzorging zijn te vermijden , deze „frequentiegeneratoren“ veroorzaken een voortdurend veranderend frequentiespectrum met een hoog vermogen. Via de aansluitkabel wordt deze dan direct in de ontvanger gevoerd. Door de voortdurend wisselende belasting en spanning kunnen deze systemen vaak geen voldoende stroomverzorging bieden. Vooral synthesizerontvangers die meer stroom opnemen kunnen hierdoor beinvloed worden.
    Regelaars voor een hoger aantal cellen die geen BEC-systeem voor de spanningsvoorziening voor de ontvanger hebben, hebben echter wel een „intern“ BEC-systeem voor de eigen verzorging van de regelaar-elctronica, die volgens hetzelfde principe werkt, echter met minder vermogen. Via de aansluiting wordt hier eveneens de storingsbron direct naar de ontvanger gevoerd. Het is aan te bevelen een ontstoorfilter F1413 te gebruiken om deze storingen zo ver mogelijk van de ontvanger te houden. In tegenstelling tot andere filters, die vaak alleen maar een ferrietkern bezitten, filtert het Futaba ontstoorfilter ook de ingangspuls met een condensator-weerstandcombinatie.
    De verschillende ontvangertypen (FM, PCM1024, PCM 2048 (G3) reageren ook verschillend op de aansluiting van elektronische componenten, zoals gloeiplugverwarmers, turbine-stuureenheden, telemetriesystemen, GPS, enz. Ook hier is het aan te bevelen eventueel een stoorfilter F1413 te gebruiken.

    Model:
    Om statische ladingen te voorkomen, kunnen de volgende voorzorgsmaatregelen getroffen worden.


    Helicopters:

    Verbind de hekrotor en het chassis met een massaband. Bij tandriemaandrijving eventueel een „koperborsteltje“ aanbrengen om het opladen van de tandriem te voorkomen. Eventueel ook de tandriemrollen elektrisch geleidend met het chassis verbinden.
    Bij elektro-heli`s is het meest noodzakelijke om de hekbuis met de motorbehuizing te verbinden.
    Worden er CFK of GFK bladen of een CFK hekbuis gebruikt, dan kan bij hoge toerentallen en een geringe luchtvochtigheid een massieve statische lading geproduceerd worden. Om dit te voorkomen moet er van de hekrotoraandrijving tot de hoofdrotoras een geleidende verbinding zijn.Ook het gebruik van antistatic-spray (b.v.Kontakt Chemie) is aan te bevelen.

    Turbinen:
    Verbind de metalen afschermbehuizing van de turbine met een massaband om statische ladingen te voorkomen.
    De ECU altijd met een apart ontstoorfilter nr. F1413 extra ontstoren.
    Bij snelle GFK jetmodellen, ontstaat door de hoge snelheid vaak (in het bijzonder bij lage luchtvochtigheid) een hoge statische lading (ca. 40.000 volt). Hier moeten GFK delen, groter dan ca. 10 cm², geleidend met elkaar verbonden worden.
    Ook de naar buiten door de romp gevoerde aansluitingen (tankaansluiting,enz.) moeten elektrisch met elkaar verbondem worden om statisch opladen te voorkomen. Statische ladingen kunnen via de tankslang het ventiel om de motor uit te zetten , in werking stellen.
    Ook de wielen van het landingsgestel kunnen statisch geladen worden en moeten van een koperborsteltje voorzien worden.

    Reikwijdtetest:
    Het is aan te bevelen om voor het gebruik van een nieuw model of een nieuwe ontvanger een reikwijdtetest uit te voeren.Hierbij mag het model niet op de bodem staan, maar moet zich op een hoogte van ca. 1-1,5m bevinden. Gebruik hiervoor een tafel van kunststof of hout, in geen geval van metaal, b.v. een campingtafel. Er mogen zich ook geen geleidende materialen in de naaste omgeving bevinden, zoals auto`s of een metalen omheining.Ook eventuele helpers mogen niet te dicht bij het model staan.
    Eerst het model zonder aandrijfmotor inschakelen.
    Loop langzaam bij het model vandaan, terwijl constant één roerfunctie langzaam bediend wordt.
    Tijdens het weglopen bij het model vandaan, de functie van het roer goed in de gaten houden.
    Eventueel iemand vragen, de roerfunctie in de gaten te houden.
    Draai tijdens het weglopen de zender wat naar links en rechts om een andere stand van de zenderantenne t.o.v. het model te simuleren.
    Met ingeschoven antenne moet,afhankelijk van het zendertype een reikwijdte van ca. 100-150 bereikt worden Bij de zender T12/Z / T14MZ een reikwijdte van ca. 50m, bij de FX-40 ca. 60m
    Als deze eerst reikwijdtetest succesvol is, dan wordt deze test herhaald met lopende motor. Let op dat het model goed bevestigd wordt.
    De nu bereikte reikwijdte mag iets minder zijn (ca. 20%) Is het duidelijk minder, dan stoort de aandrijfeenheid de ontvanger. Controleer of alle bovengenoemde maatregelen goed uitgevoerd zijn.
    Tot slot nog een reikwijdte test uitvoeren met vol uitgetrokken antenne en draaiende motor.Hierbij moet een afstand van minstens 500 m overbrugd worden.

    Het robbe team

    Vertaling A. van der Kooij.
     

Deel Deze Pagina